Carte Blanche: meer preventie? Vooral de juiste preventie.
We leven langer dan ooit. De grote vraag is hoe we ervoor zorgen dat die extra levensjaren ook gezonde, zelfstandige en betekenisvolle jaren zijn. In Trends Talk op Kanaal Z ging dr. Sanne Stegen, coördinator van GRAY aan de Universiteit Gent, in gesprek over preventie, biologische leeftijd en een samenleving die gezond ouder worden mogelijk maakt.
We spreken al decennia over vergrijzing. Vandaag is meer dan één op de vijf Belgen ouder dan 65 jaar. Tegelijk komen we in een nieuwe fase: een dubbele vergrijzing. Niet alleen neemt het aantal 65-plussers toe, ook steeds meer mensen bereiken een hoge leeftijd.
Dat is een belangrijke maatschappelijke verwezenlijking. Maar het maakt de vraag ook urgenter: hoe zorgen we ervoor dat we niet alleen langer, maar vooral langer gezond en zelfstandig kunnen leven?
De Wereldgezondheidsorganisatie riep de periode 2021–2030 uit tot het Decennium van Gezond Ouder Worden. Voor dr. Sanne Stegen, coördinator van GRAY – Ghent University Research for Aging Young aan de Universiteit Gent – is daarbij één verschuiving essentieel. Ouder worden is geen probleem dat we moeten ‘opvangen’. De interessantere vraag is hoe we onze samenleving zo kunnen inrichten dat zoveel mogelijk mensen gezond kunnen ouder worden.
We leven langer. Maar winnen we ook gezonde jaren?
De levensverwachting stijgt, en ook het aantal jaren dat we in goede gezondheid leven nam toe. Toch lopen beide evoluties niet volledig gelijk. We leven langer, maar brengen daardoor ook meer jaren door met chronische aandoeningen of beperkingen.
Dat betekent niet dat een vijftiger vandaag ongezonder is dan een vijftiger zestig jaar geleden. Integendeel: gemiddeld zijn mensen op die leeftijd vandaag op veel vlakken vitaler. Onze levensomstandigheden verbeterden en aandoeningen die vroeger snel tot ernstige beperkingen of overlijden leidden, kunnen beter worden behandeld.
Tegelijk ontstaan nieuwe kwetsbaarheden. Type 2-diabetes, bijvoorbeeld, werd lang vooral met middelbare en oudere leeftijd geassocieerd, maar komt steeds vaker voor bij jongvolwassenen en volwassenen. We bewegen minder vanzelfsprekend, zitten veel, leven in een maatschappij die bijna voortdurend ‘aan’ staat en hebben niet altijd de tijd, ruimte of mogelijkheden om gezond te koken, voldoende te slapen en te herstellen.
Gezond ouder worden begint daarom veel vroeger dan op 65 jaar.
Hoe oud is een lichaam eigenlijk?
Ook het begrip ‘leeftijd’ wordt interessanter. De kalenderleeftijd vertelt maar een deel van het verhaal. Twee mensen van 60 kunnen biologisch en functioneel sterk van elkaar verschillen.
Onderzoekers bestuderen biologische leeftijd op verschillende manieren. Met zogenaamde epigenetische klokken kunnen bijvoorbeeld patronen op ons DNA worden geanalyseerd die tijdens het ouder worden veranderen. Zo ontstaat een schatting van biologische leeftijd die niet noodzakelijk identiek is aan de leeftijd op het paspoort.
Roken, alcoholgebruik, weinig bewegen en chronische stress worden in onderzoek geassocieerd met een snellere biologische veroudering. Dat roept een relevante vraag op: als bepaalde factoren biologische veroudering kunnen versnellen, kunnen leefstijl en een gezonde omgeving die processen dan ook gunstig beïnvloeden?
Tegelijk waarschuwt Sanne Stegen ervoor om biologische leeftijd als de zoveelste gezondheidsscore te beschouwen. Het doel van gezond ouder worden is niet om zo veel mogelijk jaren van een biologische klok af te krijgen.
Een veel eenvoudigere vraag is vaak relevanter: wat kan iemand nog? Kan een 80-jarige zelfstandig boodschappen doen, de trap nemen, met de kleinkinderen op stap, vrienden bezoeken en deelnemen aan de samenleving?
De ambitie hoeft dus niet te zijn dat ‘80 het nieuwe 60’ wordt. Wel dat zo veel mogelijk 80-jarigen kunnen blijven doen wat voor hen belangrijk is.
Onze omgeving evolueert mee
Wie over gezond ouder worden spreekt, denkt spontaan aan voeding en beweging. Maar ook de omgeving waarin we tientallen jaren leven, laat haar sporen na.
Een aantal klassieke vormen van vervuiling is in België sinds de jaren 1970 en 1980 sterk verminderd door strengere milieuregels. Tegelijk krijgen andere blootstellingen meer aandacht in onderzoek, zoals PFAS, microplastics, hormoonverstorende stoffen, pesticiden en ultrafijn stof.
Van sommige blootstellingen kennen we de gezondheidseffecten al goed. Bij andere proberen onderzoekers nog beter te begrijpen wat langdurige blootstelling precies betekent. De vraag is daarbij niet alleen of een bepaalde stof één specifieke ziekte veroorzaakt, maar ook hoe een opeenstapeling van blootstellingen gedurende een mensenleven processen kan beïnvloeden die betrokken zijn bij veroudering.
Gezond ouder worden is dus ook een milieuvraagstuk.
Preventie is meer dan mensen vertellen wat ze moeten doen
Beweging, gezonde voeding, niet roken, voldoende slaap, sociale verbondenheid en mentale gezondheid behoren tot de krachtigste hefbomen die we kennen. Toch wordt preventie nog vaak vertaald als: mensen moeten gezonder leren leven.
Dat is te eenvoudig.
Iemand vertellen dat die meer moet bewegen, maakt die persoon niet automatisch actiever. Gezond gedrag wordt sterk bepaald door de omgeving. Is er een veilige plek om te wandelen? Kun je met de fiets naar het werk? Is gezonde voeding betaalbaar? Is er voldoende groen en schaduw? Zijn er plaatsen waar mensen elkaar kunnen ontmoeten?
Daarom pleit Sanne Stegen voor een brede invulling van preventie, volgens het principe Health in All Policies. Gezondheid is niet alleen een verantwoordelijkheid van de gezondheidszorg. Ook mobiliteit, ruimtelijke ordening, wonen, onderwijs, klimaat en lokaal beleid beïnvloeden onze gezondheid.
Een fietspad is vanuit die optiek niet alleen mobiliteitsinfrastructuur. Een park is niet alleen stadsverfraaiing. Het zijn mogelijk ook vormen van preventieve gezondheidsinfrastructuur.
Dat legt een belangrijke beperking bloot in discussies over het preventiebudget. Een stad kan investeren in een aantrekkelijk park vanuit het budget voor publieke ruimte of stadsontwikkeling, terwijl mogelijke gezondheidsbaten — meer beweging, minder hittestress, meer sociale contacten en herstel van stress — pas jaren later zichtbaar worden.
Niet alle preventie staat dus op de begroting onder het woord ‘preventie’.
Een boom als gezondheidsinterventie?
Natuur is een mooi voorbeeld van die bredere kijk. Mensen die in groenere omgevingen wonen, hebben gemiddeld een betere gezondheid. Dat betekent niet dat bomen op zichzelf genezen. Groen kan via verschillende wegen bijdragen: het nodigt uit tot bewegen, kan hitte en lawaai dempen, biedt ruimte voor ontmoeting en kan helpen om tot rust te komen.
Ook experimenteel onderzoek wijst erop dat tijd doorbrengen in een groene omgeving kan bijdragen aan herstel van stress en mentale vermoeidheid. Wandelen in de natuur gaat gemiddeld samen met andere fysiologische en psychologische reacties dan wandelen langs druk verkeer.
Natuur is geen geneesmiddel. Een depressie of burn-out behandel je niet door iemand simpelweg het bos in te sturen. Maar natuur kan wel omstandigheden creëren waarin herstel en gezond gedrag gemakkelijker worden.
Vroeger zagen we natuur vooral als iets moois. Vandaag kunnen we natuur ook bekijken als gezondheidsinfrastructuur.
Bij dementie begint preventie lang vóór de diagnose — maar stopt ze daar niet
Die brede visie op preventie is bijzonder relevant voor hersengezondheid. Dementie wordt vaak voorgesteld als iets wat ons op hoge leeftijd min of meer overkomt. Toch hangt een aanzienlijk deel van het risico samen met beïnvloedbare factoren gedurende de levensloop.
Naar schatting kan ongeveer 45% van de gevallen van dementie potentieel worden voorkomen of uitgesteld door beïnvloedbare risicofactoren aan te pakken. Dat is een populatiecijfer, geen voorspelling voor één individu. Naast cardiovasculaire gezondheid en beweging spelen ook onder meer gehoorverlies, depressie, sociaal isolement en luchtvervuiling een rol.
Dementiepreventie is daardoor niet uitsluitend een neurologische kwestie. Ze begint potentieel bij cardiovasculaire zorg, gehoorzorg, beweging, mentale gezondheid, sociaal beleid én onze leefomgeving.
En preventie stopt niet noodzakelijk wanneer iemand een diagnose krijgt. Ook dan kunnen beweging, cognitieve uitdaging en sociale participatie relevant blijven om functioneren, welzijn en levenskwaliteit zo lang mogelijk te ondersteunen.
Binnen GRAY wordt bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar cognitieve beweegprogramma’s waarin ritme, beweging, muziek, coördinatie, aandacht en geheugen samenkomen. Zulke niet-medicamenteuze interventies kunnen een waardevolle aanvulling vormen binnen de zorg en ondersteuning van mensen met onder meer Parkinson of dementie.
En dan zijn er nog onze slimme horloges
Technologie kan daarbij helpen. Wearables geven onderzoekers iets wat enkele decennia geleden nauwelijks mogelijk was: gedurende weken of maanden beweging, hartslag, slaap en herstel opvolgen terwijl iemand gewoon zijn dagelijkse leven leidt.
Maar meer data betekent niet automatisch meer gezondheid.
Sommige mensen worden ongerust van hun cijfers of laten hun horloge beslissen of ze goed geslapen hebben. Wearables zijn bovendien niet voor elke meting even nauwkeurig, zeker niet wanneer er sprake is van gezondheidsproblemen.
De toekomst ligt daarom waarschijnlijk niet in voortdurend meer gezondheidsdata tonen. Wel in relevante data beter interpreteren. Technologie kan op de achtergrond helpen om patronen te herkennen, terwijl een zorgverlener of professional mee beoordeelt welke veranderingen werkelijk betekenisvol zijn.
Leefstijlgeneeskunde vraagt ook anders opgeleide professionals
Als we preventie breder willen bekijken, moeten we ook nadenken over de professionals die mensen begeleiden. Leefstijl wordt nog te vaak gezien als iets wat voorafgaat aan de ‘echte’ zorg: eerst proberen gezonder te leven, en wanneer iemand ziek wordt, begint de geneeskunde.
Die grens is in werkelijkheid veel minder scherp. Beweging kan bijvoorbeeld onderdeel zijn van de behandeling van diabetes of cardiovasculaire aandoeningen. Voeding speelt een rol bij metabole gezondheid. Slaap en stress beïnvloeden zowel fysieke als mentale gezondheid. En ook na een diagnose van bijvoorbeeld Parkinson of dementie blijven beweging, cognitieve uitdaging en sociale participatie relevant.
Dat vraagt ook iets van universiteiten en andere onderwijsinstellingen. Als onderzoeks- en onderwijsinstelling hebben we niet alleen de opdracht om nieuwe kennis over leefstijl en gezondheid te ontwikkelen, maar ook om toekomstige artsen, kinesitherapeuten, bewegingswetenschappers, diëtisten, psychologen, verpleegkundigen en andere gezondheidsprofessionals te leren hoe ze die kennis verantwoord kunnen toepassen.
Daarbij gaat het om meer dan weten dat beweging of gezonde voeding ‘goed’ is. Welke interventie werkt voor wie? Wanneer is begeleiding nodig? Hoe combineer je verschillende leefstijlfactoren? Wanneer is leefstijl een aanvulling op een medische behandeling en wanneer volstaat ze niet? En vooral: hoe help je iemand om een advies daadwerkelijk in het dagelijkse leven vol te houden?
Leefstijlgeneeskunde ernstig nemen betekent daarom niet minder geneeskunde. Het betekent dat we beter leren begrijpen waar leefstijl thuishoort naast preventie, diagnostiek en behandeling — en waar haar grenzen liggen.
Gezond ouder worden is ook een kwestie van kansen
Misschien is dit uiteindelijk de belangrijkste nuance. Gezondheid wordt vaak voorgesteld als het resultaat van individuele keuzes. Maar niet iedereen krijgt dezelfde mogelijkheden om die keuzes te maken.
Sociaal-economische gezondheidsverschillen blijven groot. Mensen met een lager inkomen of een lager opleidingsniveau leven gemiddeld niet alleen minder lang, maar brengen ook minder jaren in goede gezondheid door.
Wie voldoende tijd, financiële ruimte, een veilige groene buurt en toegang tot gezonde voeding heeft, beschikt over andere mogelijkheden dan iemand bij wie die voorwaarden ontbreken.
De krachtigste vorm van preventie combineert daarom beide niveaus: mensen ondersteunen om gezonde keuzes te maken én een samenleving bouwen waarin die keuzes vanzelfsprekender worden.
De basis van gezond ouder worden is verrassend weinig revolutionair: bewegen, gezonde voeding, slaap, mentale gezondheid, sociale contacten en zingeving blijven essentieel. De innovatie zit vooral in wat we rond mensen bouwen: betere wetenschap, slimme technologie, aangepaste zorg, groene buurten en beleid dat gezondheid niet pas ontdekt wanneer iemand patiënt wordt.
Want misschien is dat wel de belangrijkste verschuiving: gezond ouder worden begint niet op 65 jaar — en gezondheidszorg begint niet in de wachtkamer van een arts.
Bekijk of beluister het volledige gesprek
U kunt het gesprek ook bekijken via Trends Z, Facebook of Instagram.